Dinsdag is altijd de vrije dag van mijn peuter en dan gaan we altijd ‘dingen doen.’ Zo had ik beloofd dat we vanochtend onder meer naar de supermarkt zouden wandelen. Een dingetje? Net toen we weg wilden gaan, begon het te regenen. De peuter was in tranen.
En ja, dat zag er heel zielig uit. Zo graag wilde ze naar buiten.
Ook wel begrijpelijk, de afgelopen dagen waren niet bepaald geschikt voor lange wandelingen of uren buiten spelen. Het was koud, guur en het regende. Althans, hier wel. Dat vond mijn peuter niet er gezellig (al heeft ze gelukkig Masha de Beer nog). ‘Wanneer wordt het mooi weer mama?’ vroeg ze de afgelopen tijd geregeld. ‘In het voorjaar’, antwoordde ik. ‘Maar dat duurt nog wel even.’
En ja, ik baalde daar evenveel van als mijn peuter. Niet omdat ik buiten wil spelen, die fase heb ik wel gehad, maar omdat het zo fijn is om even in de zon te zitten of te lopen. En daarbij, ik ben geen wintermens. Nooit geweest, zal het nooit worden ook. Dat gure, koude weer is niet aan mij besteed.
Jullie weten nu van wie mijn peuter dát geërfd heeft.
Maar vanochtend zag ik dat het warempel redelijk droog zou blijven en – oh, wat heerlijk – de zon zou schijnen. Dat betekende maar één ding: naar buiten. De winterjassen aan, de baby in de wandelwagen, een flinke omweg maken en vervolgens eindigen in de supermarkt. Het nuttige met het aangename verenigen, dat werk.
Oké, ik zag wel een paar buitjes op de buienradar, maar die waren te verwaarlozen. Dacht ik. Tegen die tijd dat ik iedereen de jassen aanhad, de snoeten waren schoon geveegd en de baby in de wandelwagen zat, zouden ze vast wel overgedreven zijn.
Ehm nee.
Maar mijn peuter keek al bezorgd naar buiten. ‘Mama, het wordt donker’, zei ze. ‘De zon schijnt niet meer.’ En toen begon het opeens met regenen. Het regende ook nog eens hard. Mijn peuter barstte in tranen uit. ‘Ik wilde zo graag naar buiten’, snikte ze. ‘Met de zon.’
‘Maar het wordt wel droog hoor’, riep ik. ‘Echt waar. We wachten even en als het straks niet meer regent, dan gaan wij weg.’ Dat deden we. Nota bene met de jassen aan in de hal waren we aan ‘t wachten. Het zag er ongetwijfeld koddig uit.
Maar mijn peuter veegde haar tranen van d’r wangen toen ze zag dat het inderdaad droog werd. ‘Mag ik nu naar buiten?’zei ze. ‘Ik wil rennen!’ Dat kon. Vooral omdat daarna al snel een voorzichtig zonnetje doorbrak. ‘Ik ben nu niet meer verdrietig hoor!’ riep ze nog om vervolgens nog harder te rennen over die stoep.
Drie kwartier later ging het weer prima. Mijn peuter kon weer al d’r energie kwijt, mijn baby was ook weer effe buiten geweest en ik was vooral blij dat het droog was gebleven. Eenmaal thuis at mijn peuter een croissantje. ‘Ik vind het gezellig mama’, zei ze nog. ‘Blijft het mooie weer?’
Ehm ja. Nee. Het is eind februari. Dat duurt nog wel eventjes. Maar één ding is wel duidelijk: dat voorjaar kan niet snel genoeg komen voor mijn dochter. En voor mij, dat ook.
Afbeelding: Daniëlle Spoelstra




Geef een reactie