Een tijdje terug kreeg mijn peuter op de peuterschool een bekertje modder met daarin een zaadje van een zonnebloem. ‘Mama, dat wordt een héle grote bloem, heeft de juf gezegd’, zei mijn dochter stralend. Ik reageerde wat minder stralend. Want drie maal raden wie nu mag zorgen dat ‘t kreng inderdaad een grote zonnebloem wordt? Juist. Ik.
Heel even overwoog ik om ‘t ding in de groene container te gooien. Ik ben namelijk niet in ‘t bezit van groene vingers. Die heeft mijn vriend. Ik niet. Ik ben nog in staat om een cactus te laten doodgaan. Dat ik überhaupt ooit aan kinderen begonnen ben is een heus wonder. Maar vrees niet, één of andere interne klok zorgt ervoor dat die kinderen wél op tijd voldoende eten en drinken krijgen.
Maar goed, die zonnebloem dus. Of liever gezegd, het bekertje modder met een zaadje erin. Ik heb het eerst maar op een hoekje van het aanrecht gezet. Dan kon ik altijd nog besluiten wat ik ermee zou doen ( lees: in de container slingeren). Dacht ik. Want juist op die plek kon mijn peuter in de gaten houden wat er met dat bekertje gebeurde. ‘Goed plekje mama’, zei de schat.
Je begrijpt: toen was het over en uit met Plan Groene Container.
Ik heb van ellende maar de bijgeleverde handleiding erbij gepakt. Zo meedenkend waren de mensen van de peuterschool dan wel weer. Blijkbaar wilden ze echt – vast in het kader laat-die-kinderen-nou-ook-eens-kennis-maken-met-de-wonderen-van-de-natuur – dat die zonnebloem ging groeien.
De eerste zin van die handleiding was in ieder geval goed nieuws. Tot half april kon je ‘m binnen houden. Met een glas erop, dat wel. Dat ging me te ver. Ga weg, ik ging niet mijn halve keuken omtoveren tot een serre voor een klein rottig zonnebloemzaadje. En dat was dat. Ik was bijna vergeten dat-ie er stond ( snap je nu hoe die cactus ooit is gestorven?).
Tot vanochtend. Tot mijn verbazing zag ik dat er geen zaadje meer was. In plaats daarvan zag ik een groen steeltje met een soort van kleine knop. He, wat … Was dat ding zomaar uit zichzelf gaan groeien? Hoe dan?
Maar dat kon dus. Ik heb meteen het aan mijn peuter laten zien. Vooral zodat ze zich later kon herinneren dat ik niet álle groene dingen dood had laten gaan. ‘Mijn zonnebloem!’ riep ze enthousiast. ‘Dat ga ik aan de juf vertellen.’ Mooi zo. Dat is beter dan ‘mijn moeder heeft het in de groene container gegooid.’
De grote vraag is wat we gaan doen als het half april is. Dan moet ik een plekje vinden. In de tuin. Misschien een onopvallende plek, zodat mijn peuter niet ziet wat er gebeurt als die zonnebloem maar niet verschijnt. Of wel. Dat kan ook.
Stiekem is dat nu mijn doel.
Want nu dat ding begint te groeien, zal ik het afmaken ook. Dat kreng moet en zal een grote zonnebloem worden. En dan mag mijn peuter die mensen van de peuterschool stalken met minstens honderd foto’s van een zonnebloem. We beginnen met een foto van dat bekertje modder … Denk dat we dan niet zo snel weer zo’n projectje mee naar huis krijgen.





Geef een reactie