Een tijdje terug kreeg mijn peuter van de peuterschool een bekertje modder met wat zonnebloemzaden mee. De opdracht? Er een grote zonnebloem van maken. En wie mocht er voor zorgen? Ik. Dacht ik, want intussen heeft vriendlief de zorg overgenomen en is dat ding eigenlijk best groot. Dat belooft wat …
Even for the record, ik was echt van plan om zelf voor die zonnebloem te zorgen. Ik had het bekertje op een mooi plekje op het aanrecht gezet en binnen een mum van tijd groeide dat ding.
Tot-ie opeens weg was.
‘Weet jij waar de bloem is?’ vroeg ik nog aan de peuter. Ze wees naar haar vader. Mijn vriend haalde zijn schouders op. ‘Ik heb ‘m in de werkkamer gezet. Voor het raam, in de zon.’ Oh. ‘Dus jij zorgt nu voor die zonnebloem?’ vroeg ik vervolgens aan ‘m. Hij knikte bevestigend. Lees: mijn vriend – die wel groene vingers heeft – had nul vertrouwen in mijn talent om een zonnebloem groot te laten worden.
Daar kon ik ‘m geen ongelijk in geven.
Even dreigde Project Zonnebloem te mislukken toen we tijdens een paar warme dagen waren vergeten om die zonnebloem juist even weg te halen bij dat raam. De zonnebloem hing er dan ook wat slapjes bij. ‘LEEFT HIJ NOG WEL?’ schreeuwde mijn peuter paniekerig. Want ja, dat krijg je met dit soort projecten. Kinderen gaan zich hechten. In dit geval aan een zonnebloem. Je verzint het niet.
Maar na genoeg water was de zonnebloem er weer bovenop. De zonnebloem werd zelfs zo groot dat mijn vriend besloot ‘m te verpotten naar een heuse bloempot. Hij stak er zelfs een plankje in, bond de zonnebloem eraan vast en zette het buiten op een zonnige plek. Sindsdien groeit het ding als kool.
De grote vraag is of er deze zomer ook nog een zonnebloem tevoorschijn komt. Mijn vriend denkt van wel. Ik hoop het vooral. Project Zonnebloem zal slagen ook.




Geef een reactie