Een ochtendmens ben ik nooit geweest. Met moeite hijs ik mijzelf ‘s ochtends uit bed, sleep ik mijzelf min of meer naar de douche en daarna is het zaak om langzaam wakker te worden. Nou ja, haal dat langzaam maar weg. Op deze maandagochtend dan.
Dat kwam ook vooral omdat mijn peuter de hele nacht huilde, hoestte en uiteindelijk rond een uur of half vijf in de ochtend alleen nog maar kon overgeven. Het arme kind was zo overstuur dat ze bij ons in bed belandde om haar rustig te krijgen.
Gelukkig gaf ze daar niet over. Niet alles zit altijd tegen.
Mijn kleuter was inmiddels door alle commotie ook wakker geworden. ‘IK WIL OOK BIJ JULLIE LIGGEN!’ gilde ze. ‘IK BEN OOK ZIEK.’ Toen ik vroeg waar zij dan last van had, wees ze afwisselend naar verschillende lichaamsdelen. ‘Mijn hoofd. Oh, toch mijn been. En mijn arm. Mijn teentje … Mijn teentje doet zeer!’
Slim bedacht.
Maar toen ik haar vertelde dat wanneer ze bij ons in bed zou liggen de kans groter zou worden dat haar zusje haar eronder kon kotsen, daalde het animo. ‘Ik vind het niet leuk, maar ik blijf hier wel’, mopperde ze nog. Al trok ze er wel een verdrietig gezicht bij. Maar blijkbaar vond ze dat andere scenario toch erger.
Toen ik weer in bed stapte lag mijn vriend alweer te slapen. Mijn peuter ook. Op mijn plek. En op mijn kussen. Ik overwoog nog even om bij de kleuter te gaan liggen, maar zag er toch vanaf. Ik was te moe. Ik duwde de peuter een beetje opzij, ging liggen en … kwam niet meer in slaap. Klaarwakker was ik. In combinatie met een opkomende hoofdpijn.
Maar ergens moet ik toch weer in slaap zijn gedommeld, want ik hoorde helaas de wekker afgaan. Mijn vriend ging douchen en niet veel later kroop de peuter uit bed. Om daarna de hele vloer in de gang onder te kotsen. Om half zeven zat ik alweer op mijn knieën de troep uit te ruimen.
En hoe moest dat straks als ik mijn kleuter naar school zou brengen, bedacht ik mij opeens? Dan kon ik toch moeilijk een spugende peuter meenemen? Ik zag alweer een schoolhal vol kots voor mij. Dat kon ik toch niemand op maandagochtend aandoen. ‘Dan breng ik haar wel even’zei mijn vriend die onder de douche vandaan kwam.
Mooi.
Kon ik in ieder geval even een beetje wakker worden onder de douche.
Maar na afloop constateerde ik verbaasd dat ik vrolijke kinderstemmen beneden hoorde. Het klonk alsof mijn peuter weer helemaal up and running was. Eenmaal beneden was dat het geval. Ze was aan het drinken, een broodje aan het eten en had geen koorts.
Alsof de voorgaande uren nooit hadden plaats gevonden.
Nou, oké. Dan kon ik de kleuter ook wel brengen. Peuter in de buggy en klaar was ik. En an sich gingen de voorbereidingen ook nog wel oké. Niemand had tandpasta in het haar gesmeerd, er waren geen jamvlekken spontaan ontstaan op schone kleding en zelfs de schoenen en sjaals kon ik meteen vinden.
Niets meer aan doen.
En dus liepen we lekker naar school. Ik bedoel, het regende niet eens. De kleuter zette het wel op een rennen. Tot we bijna bij school waren en ze opeens stopte. ‘Ik heb zo’n last van mijn buik’, zei de schat. ‘En wrijven helpt niet meer.’ Ze had de tranen in de ogen. Wat moest ik doen? Terug naar huis? Toch naar school? Ik besloot mijn kleuter te vragen wat zij wilde. ‘Naar school’, zei ze. ‘Oké, maar dan lopen we nu héél rustig’, zei ik dan maar. Wat moet je anders?
Eenmaal op school ging ‘t beter. ‘Maar ik heb wel buikpijn hoor’, zei ze nog tegen de juf. ‘Helemaal niet erg’, zei de juf met een gezicht alsof ze dit dagelijks hoorde. ‘We gaan allemaal leuke dingen doen. Leidt lekker af.’ Mijn kleuter vond dit een volstrekt logisch antwoord en ging meteen puzzelen.
Ze hebben nog niet gebeld. Waarschijnlijk helpt het inderdaad.
En mijn peuter? Die heeft de hele terugweg gelopen. Het ging prima. Niets aan de hand.
Tot ik één van de overbuurvrouwen tegen kwam in mijn straat. En mijn kat, dat ook. Hij liep me al vrolijk tegemoet. ‘Dat is toch jouw kat?’ vroeg ze. Ik knikte. ‘Heeft hij een bandje met een magneetje waardoor een kattenluik opengaat?’ Ik schudde van nee. Mijn katten hebben alleen zo’n anti-vlooienband om. ‘Dan snap ik er niets meer van’, zei mijn overbuurvrouw. ‘Hij is gisteren blijkbaar bij ons naar binnen gewandeld. Bij onze drie katten.’
Het kwam erop neer dat haar oudste zoon als eerste thuis was, een enorm gekrijs hoorde en daarna rook dat de katten de hele woonkamer hadden onder gepiest. Die kater van mij zat erbij alsof hij zich van geen kwaad bewust was. De etter.
Hoe hij naar binnenkwam is nog steeds een volkomen raadsel, maar tijdens het gesprek met mijn buurvrouw probeerde hij het weer. Gewoon, omdat het kon.
Ik schaamde mij kapot.
Gelukkig was de buurvrouw heel aardig. En – dat vond ik heel knap – niet boos. Ik weet niet of die kat er bij mij wel zo genadig was afgekomen. Niet voor niets is de kater wel eens eerder met een nat pak thuisgekomen. Lees: iemand heeft een bak water over ‘m heen gekieperd.
Ik heb mijn excuses aangeboden, de kat opgepakt en gezegd dat ze meteen naar mij toe moet komen wanneer die kater zich weer misdraagt. Al zit-ie nu voor straf binnen. Bloedchagrijinig is-ie. Ik heb ‘m er veel succes mee gewenst.
Ik hoop in de tussentijd dat mijn peuter weer lekker opknapt, dat die buikpijn bij mijn kleuter verdwijnt en dat de rest van de dag zonder spugen, buikpijn, hoofdpijn of letterlijk een brutale kater verloopt. Dan wordt het vanzelf weer dinsdagochtend.
Afbeelding: © Donna Kilday | Dreamstime Stock Photos




Geef een reactie