Er zijn een aantal plekken in mijn leven waar ik niet heel veel zin heb om naar toe te gaan. De huisarts bijvoorbeeld. Want dan is er wat aan de hand. Het consultatiebureau. Of de tandarts. En misschien vind ik de tandarts nog wel het ergst. Ook met mijn kinderen erbij.
Dat ik die tandarts niet leuk vind is toch wat vreemd. Mijn moeder was jarenlang tandarts-assistente die alle ins en outs wist, ik heb nooit verschrikkelijke tandartsen gehad en met die gaatjes viel het ook best mee. Vooruit, ik moet wat meer stokeren met zo’n stokje en één keer in de twee jaar naar de mondhygiënist, maar dat is het wel.
Maar zeg mij dat ik naar de tandarts moet en ik word bloedchagrijnig. Die steriele omgeving, die stoel en dan dat haakje waarmee ze in je tandvlees lopen te porren? Nee, nee en nog eens nee.
Toch weet ik het dat het nog veel erger wordt als ik niet ga, dat is helemaal slecht voor mijn gebit, dus niet naar de tandarts is geen optie.
Vooral nu mijn kinderen ook groter worden en meegaan met mijn vriend en mij. Nu is de kleuter nooit een probleem geweest bij de tandarts. Zij vindt het – in haar eigen woorden – ‘SUPERLEUK BIJ DE TANDARTS!’ En hoewel de tandarts in kwestie ook erg aardig is, vermoed ik dat dit ook te maken heeft met het cadeautje dat ze na het bezoek bij de tandartsassistente mogen uitzoeken. Al vindt de kleuter die gekke tangen, haken en boren ook reuze interessant. Ze kruipt ook zomaar op de behandelstoel. Vindt ze helemaal prima.
Dat heeft ze dus niet van mij.
Voor mijn tweejarige was het haar eerste keer. Ik vreesde dat mijn kleine orkaantje de behandelkamer ging afbreken, maar voor haar doen gedroeg ze zich nog redelijk. Lees: ze kreeg geen driftbui. Wel weigerde ze op de stoel te zitten, dribbelde ze rond in de kamer en hing ze af en toe aan de behandelstoel. Gelukkig waren één tot twee waarschuwingen – ‘NIIKKI! AFBLIIJVEN. NU!’- wel voldoende.
Al zal ik wel nooit de-perfecte-moeder-bij-de-tandarts-prijs in ontvangst nemen.
Maar je raadt het al, op het moment dat mijn peuter echt die stoel in mocht wilde ze niet. Ook niet bij mij op schoot. Haar mond – die normaal gesproken altijd behoorlijk in beweging is – ging stijf dicht. Wat nou tanden tellen? Van mijn peuter kon die tandarts de pot op.
Zij lijkt meer op mij.
Ik heb haar maar weer neergezet. Daarna was ik zelf aan de beurt. En terwijl mijn peuter probeerde op mijn benen te klimmen – want ja, toen mocht het niet – inspecteerde de tandarts mijn mond. Met die akelige haak. ‘Je kunt wel zien dat je goed ziek bent geweest en aan de zware medicijnen hebt gezeten’, zei de tandarts nog. Nou, dat verbaasde mij helemaal niets.
Maar hé, nadat ik beloofde een afspraak te maken met de mondhygiënist, mocht ik weer uit de stoel. Geen gaatjes, dat ook weer niet. An sich ook weer een rondedans waard. Dat deden mijn dochters ook, want die mochten een klein cadeautje uitzoeken.
We zijn nu een plastic spin en een stuiterbal in de vorm van een ei rijker.
Ik ben gewoon blij dat we het weer achter de rug hebben. Ik heb thuis meteen een wijntje gedronken, terwijl de kinderen – slechte ouders die wij zijn – aan een chocoladekoekje knabbelden. ‘Wanneer gaan we weer naar de tandarts?’ vroeg de kleuter nog? ‘Weer over een half jaar’, was mijn antwoord.
En wat mij betreft is dat vroeg genoeg. Méér dan vroeg genoeg.
Afbeelding: © Alexey Efanov | Dreamstime Stock Photos




Geef een reactie