Kinderen zijn enig. Serieus. Vooral vijf- en zesjarigen die absoluut niet in staat zijn om hun snater te houden, ook wel bekend als praatjesmakers – zijn bij mij favoriet. Tegenwoordig heb ik er eentje bij mij rondlopen. En in combinatie met haar zesjarige nichtje waren ze dit weekend een gouden duo.
Praatjesmakers
Ik wist overigens wel wat mij te wachten stond met kinderen van die leeftijd. Niet alleen omdat ik uit een belachelijk grote familie met veel kinderen – also known as praatjesmakers – kom, maar ook omdat ik ooit in Amsterdam – waar ik jaren heb gewoond – eens in de tram bijna erin bleef van het lachen.
‘Een luipaard!’
Het gebeurde in een volle, warme tram en gelukkig was ik net op tijd om een zitplaats te veroveren. Naast mij zat een moeder met een zoontje met van die ondeugende ogen. Zo ondeugend dat je er zeker van kan zijn dat dit gozertje over tien jaar nog wel eens veel harten zou kunnen breken.
Het begon meteen goed.
‘Mama, weet jij waar zij op lijkt?’, gilde de kleuter tegen zijn moeder, terwijl hij met een schuin oog naar mij keek. ‘Shttttt…’, fluisterde moeder, terwijl ze verontschuldigend om zich heen keek. Te laat. ‘Een luipaard’, constateerde het ventje van ongeveer vijf jaar trots. Vol verbazing keek ik op mijn van Glamour en zag dat het mannetje het toch echt over mij had.
‘Sorry’, zei de moeder zacht. ‘Hij zit nogal in zijn dierenfase’. Wat nou, dierenfase? Dit ventje had mensenkennis. Dat ik hou van luipaardprint weet mijn hele vriendenkring, maar dat het zo overduidelijk zichtbaar was in de ogen van een kleuter? Nee, dat was nieuw. Evenzogoed applaus. Je kunt met vervelender dieren vergeleken worden, zo bleek later.
‘Weet je waar die andere mensen op lijken?’, ging het mannetje onvermoeibaar door en hij wees op een fors uitgevallen ouder echtpaar. ‘OLIFANTEN!’ gilde hij nu keihard. Wanhopig probeerde ik mijn lachen in te houden. ‘SHTTTTTTTT…’, fluisterde zijn moeder nu niet meer zacht. Geheel pedagogisch onverantwoord gaf ik het ventje een knipoog. Het had niet veel gescheeld of ik had ‘GRRRRR’ geroepen. Al had dat ventje – gezien zijn dikke vette glimlach – dat wel kunnen waarderen.
Het echtpaar kon er minder om lachen.
Mummies
En afgelopen weekend had ik zo’n weekend thuis met mijn vijfjarige kleuter en haar zesjarige nichtje. Vooral omdat ze al snel – geen idee waarom – op het onderwerp mummies kwamen. ‘Die bestaan niet’, wist het nichtje te vertellen. ‘Nou, ik heb ze gezien in Egypte. Daar liggen ze in een museum. Maar ze zijn wel dood’, zei ik nog. ‘Dat zei ik toch’, zei het nichtje. ‘Ze bestaan niet.’
Daarna keerde ze zich naar mijn dochter. ‘Mummies zitten volgepropt met wc-papier en het ziet er niet uit.’ Daarna keek ze mij weer aan. Ik probeerde wanhopig om mijn lachen in te houden. ‘Ze zien er inderdaad niet op hun mooist uit’, kreeg ik er nog net uit. Het nichtje knikte begrijpend.
Je kon mij opvegen.
‘Ik geloof niet in mummies.’
Mijn vriend hoorde vijf minuten later het verhaal en bedacht dat hij de meisjes wel kon laten schrikken. Een witte deken over zijn hoofd en dan kon-ie zo doorgaan voor een mummie. Nou ja, mummie? Doe maar een wandelend spook. Hij had nog net geen wc-papier om zijn benen gewikkeld.
Hij was er helemaal klaar voor. Waggelend en brullend vertrok hij naar de werkkamer waar mijn kleuter en nichtje braaf zaten te kleuren.
Ze schrokken niet.
‘Hoi’, hoorde ik. ‘Ik zie je sokken hoor’ en ‘ik geloof niet in mummies. En ook niet in zombies.’ Mijn kleuter kon alleen maar gieren van het lachen. ‘En ik zag ook je broek!’
Wij hebben ook gegierd ook van het lachen. En even moest ik weer terug denken aan dat moment in de tram. Jonge kinderen zijn eerlijker dan je soms lief is. Maar wat zijn ze soms ook ongelofelijk grappig. Benieuwd of mijn kinderen mij ooit nog een luipaard noemen. Al denk ik dat ik nu eerder in aanmerking kom voor die olifant.
Afbeelding: keep calm




Geef een reactie