Laatst kwam ik een kennis van vroeger tegen in de stad. Ik ben niet bijzonder op d’r gesteld – je kunt per slot van rekening niet met de hele wereld bevriend zijn – maar wegduiken kon ook niet meer. Helaas wist de kennis nog wel dat ik een kind had en hoe oud ze ongeveer was. ‘Loopt ze al?’ vroeg ze. ‘Net haar eerste stapjes gezet,’ mompelde ik. ‘Loopt ze nu nog niet? Die van mij liepen toen al láng,’ wist ze mij te vertellen. Ik wilde haar het liefst slaan.
Niet forceren
Ik maak me overigens helemaal niet druk om de ontwikkeling van mijn dochter. Misschien zou ik er meer bovenop moeten zitten, maar eerlijk gezegd geloof ik niet in forceren. Bereik je vaak precies het tegenovergestelde mee.
Zolang mijn dochter prima eet, vrolijk is, er op los babbelt ( een-twee-drie is momenteel favoriet) en een beetje waggelt, vind ik het prima. Het kind is veertien maanden. Presteren doet ze later maar op school of als ze ongelukkigerwijs op een advocatenkantoor terecht komt.
Hoezo vergelijken?
En ik geloof al helemaal niet in het vergelijken van mijn kind met andere kinderen. De één kan snel lopen, de ander heeft alle tanden als ze één is, de een babbelt weer meer terwijl de ander gewoon lekker lui is en het allemaal op d’r gemakje doet.
Het zijn net mensen.
Bovendien – ik schreef er al eens eerder een blog over – zegt het helemaal niets over hun latere ontwikkeling. Ik ken kinderen die pas liepen toen ze de twee jaar ruim gepasseerd waren en nu vreselijk goed kunnen sporten. Aan de andere kant ken ik ook kinderen die al liepen met negen maanden en nu de grootste – excusez le mot – sufkutten ooit zijn.
Het-competitieve-moeder-fenomeen
Waarschijnlijk net als die kennis die ergens op een dag besloten heeft dat ze juist al die dingen wel ging doen. Voor het gemak heb ik het maar even omgedoopt tot het-competitieve-moeder-fenomeen. En hoewel ik er behoorlijk boos om kan worden, zakte die woede héél snel.
Nog geen halve minuut later wilde ik die kennis helemaal niet meer slaan. Ik moest er stiekem een beetje om lachen. ‘Dat is heel fijn voor jou en je kinderen,’ zei ik grijnzend. ‘Heb je ze al aangemeld voor de universiteit?’
Ze kon het grapje niet waarderen.
Geen humor
‘Nou, ik zie je nog wel een keer,’ zei ze. ‘Ik moet nu écht boodschappen doen. Da-haag.’ Ik heb er de rest van de dag lol om gehad. Lopen kunnen de meeste mensen nog wel leren, maar humor heb je of heb je niet. Daar zou ik me pas als moeder druk om maken. Een kind zonder humor is namelijk echt heel saai. Maar vertel dat die kennis maar.
Afbeelding: © Susan Leggett | Dreamstime.com




wat een leuke blog, complimenten! zo is het maar net!
Dank je wel!
Mijn dochters liepen al snel (tuurlijk) en praten, woordjes zeggen, deden ze ook al snel (tuurlijk), maar weet je wat ik het fijnste vindt/vond? Dat ze zo verschrikkelijk lief waren/zijn. Dat we “avonturen” beleefden, dat we “gezellige avonden” hadden en dat ze… nou ja, gewoon … zichzelf waren. En dat is dus al meer dan 25 jaar terug, maar nog steeds zijn ze zo. Oh ja, wat ook heel leuk was/is. Dat ze vriendinnetjes hadden/hebben die er nu nog zijn 🙂
En dat is ook het belangrijkste! Lopen kunnen veel mensen wel leren, maar gezellig en vrolijk doen niet 🙂
Helemaal mee eens!
En daarbij schijnt het ook nog eens dat de wat latere lopertjes heel erg slim zijn, dus…
LOL! Nou, dat biedt perspectief ;-)))) Had ik dat maar eerder geweten!