Vanochtend bedachten mijn vriend en ik dat we wel konden wandelen bij het Sneekermeer. De regen was gestopt, de zon brak door en de temperatuur was best aangenaam. Wel hadden we de regenlaarzen aangetrokken, want er zouden vast nog regenplassen liggen. Die lagen er, maar die plassen waren niet het probleem …
Misschien moet ik er eerst even bij vermelden dat bij het Sneekermeer een recreatiegebied zit. De Potten heet ‘t. Ik weet het, de naam had beter gekund. Enfin, er is een klein strandje, je kunt er zwemmen, er zijn speeltuintjes en je kunt op een speciaal daarvoor aangelegd pad rondom dat water lopen.
Hartstikke leuk toch?
Nee, dat was het niet.
Met dank aan dat pad. Op driekwart van het pad hebben ze nieuw grind gestort. Van ongeveer vijf centimeter dik. Op bepaalde stukken hebben ze naast het pad de grond omgeploegd en waarschijnlijk nieuw gras ingezaaid. Dat is mislukt. Met als gevolg dat hele stukken nu in modderige poelen zijn veranderd.
Oké, ik denk dat je er nu wel beeld bij hebt.
Maar wisten wij veel. We begonnen hartstikke optimistisch. Het eerste gedeelte van het pad was goed te doen. Mijn kleuter had haar fiets meegenomen en fietste lekker door. Ik duwde de buggy, omzeilde de plassen en was blij dat we de laarzen aanhadden. Wat kon er nou mis gaan?
Maar nadat we over een bruggetje – dat De Potten scheidt van Sneekermeer – waren gegaan, constateerde mijn vriend meteen dat er een hele lading grind op de grond lag. Er was geen doorkomen aan. ‘IK KAN NIET MEER FIETSEN!’ gilde mijn kleuter. Intussen drukte ik met volle kracht de buggy naar voren. Dat vond mijn dreumes niet grappig. Aan haar gezicht te zien mocht van haar deze exercitie snel voorbij zijn.
Dat was ik volledig met haar eens, want intussen stond het zweet op mijn voorhoofd door dat geduw tegen die buggy. Het was een heuse workout. Vooral omdat we pas op een kwart van de route zaten. ‘Dit wordt straks vast wel beter’, zei ik nog tegen mijn vriend die met alle macht probeerde mijn peuter op de fiets verder te krijgen.
Maar dat werd het niet. Dat héle pad lag vol met grind van vele centimeters dik.
Mijn vriend kreeg er snel genoeg van. Het zweet parelde op zijn voorhoofd. Hij pakte de fiets op en riep ‘WE GAAN DOOR DE MODDER.’ Dat leek mijn kleuter helemaal niets. ‘IK WIL NIET DOOR DE MODDER’, gilde ze door het verder oh zo rustige gebied. De vogels vlogen verschrikt op.
Maar we gingen wel door de modder. Tot we op een zeker moment in het naturistengedeelte ook niet meer verder konden komen. Mijn kleuter had er genoeg van. Wij ook. Ik zweer je, ik kon op dat moment alweer onder de douche. Toen een naakte man van middelbare leeftijd ons ook nog tegemoet kwam, was het feest compleet. Niet vanwege die man zelf, maar vooral vanwege de kleuter die op luide toon antwoord eiste op haar vraag ‘WAAROM DIE MENEER BLOOT WAS.’
Van ellende ben ik maar weer dat pad opgegaan.
‘Dit is toch geen doen?’ zei een stel dat ons passeerde. ‘We zijn hier twee jaar niet geweest en we wilden kijken hoe het er nu uitzag’, vertelde de vrouw aan mij. ‘Nou, het is een drama’, maakte ik haar zin af. Gelukkig konden we er met z’n allen om lachen. Een andere wandelaar die zijn hond uitliet, klaagde ook steen en been. ‘Wie heeft dit bedacht? Hier kun je toch niet op lopen?’ Zijn hond was de enige die zich er niets van aantrok.
Maar intussen zat ik mooi wel vast met de buggy. Tot ongenoegen van de dreumes die mij aankeek met een blik alsof dit allemaal mijn schuld was. Mijn vriend nam het maar over. ‘Je moet trekken, niet duwen. Dat is dus een kwestie van weerstand …’ riep-ie nog.
Alsof ik nog de puf had om iets te duwen, laat staan te trekken. Ik was doodop.
Maar die fiets was er natuurlijk ook nog. Ik besloot dan maar de fiets te dragen. Ik had het warm, was énorm bezweet, mijn gezicht zag eruit als een tomaat en toen voelde ik ook nog de hak van mijn voet. Een blaar. Fijn. Dat kon er ook nog wel bij.
Eenmaal bij het kleine zwemstrandje werd het pad weer een beetje begaanbaar. Opgelucht zette ik de fiets neer en keek achterom naar het rode gezicht van mijn vriend, de boze blik in de ogen van de dreumes en de vermoeide tred van mijn kleuter.
Dit was geen wandeling. Dit was een workout.
Ik ben eerst bijgekomen op een bankje terwijl mijn kleuter nog even van de glijbaan afging. Ik was blij toen we eenmaal weer in de auto zaten. Het stel waar we eerder mee spraken zag ik in de auto wegrijden. Aan de gezichten te zien zou het zeker weer twee jaar duren voordat ze hun gezicht weer in het recreatiegebied zouden laten zien.
En dat geldt ook voor ons. De volgende keer gaan we ergens wandelen waar alleen asfalt ligt. Stoeptegels keur ik ook goed. Desnoods met een paar regenplassen. Als het maar geen centimeters dik grind is. Doe ik die workout wel weer een andere keer.





Geef een reactie